Zappen, Sniffen en Klonen: interventies met RFID-chips
Door: Lonneke van der Velden en Mark Ponte
We raken steeds meer gewend aan het idee dat technologie deel uitmaakt van ons dagelijkse leven. Bepaalde technologieën registeren onze persoonlijke gegevens of gedragingen. Soms ervaren we dat als een wellicht vervelende maar noodzakelijke veiligheidsmaatregel, en soms maakt het dingen efficiënter, denk aan de OV-chipkaart. Het toenemend gebruik van technologieën ten behoeve van toezicht leidt tot de vraag of wij nog enige mate van controle hebben over de informatie die er over ons gegenereerd wordt. Hebben wij nog enige inbreng in de manier waarop overheden en instanties onze gedragingen in de gaten houden?
Om hier iets over te kunnen zeggen, wordt in dit artikel uitgeweken naar enkele praktijkvoorbeelden van surveillance en reacties hierop. De centrale vraag is op welke manier activisten en kunstenaars interveniëren met surveillancetechnologie. Daarbij wordt gekeken naar huidige toepassingen en plannen met RFID. Er is nog veel onduidelijk over wat voor toepassingen deze technologie zal kennen, en wat dit betekent voor bijvoorbeeld de rol van het individu en de bescherming van haar persoonsgegevens. In het werk van activisten (vaak hackers) en kunstenaars kunnen we niet alleen kritische en creatieve toepassingen van deze technologieën zien: door het toe-eigenen van de technologie wordt wellicht ook een nieuwe verhouding van het individu tot deze technologieën zichtbaar. Na een korte uiteenzetting over de maatschappelijke achtergronden en effecten van de invoer van surveillancetechnologie, wordt ingegaan op de thema's surveillance en verzet. Vervolgens dienen verschillende voorbeelden van artistiek en activistisch gebruik van RFID als casus om te bekijken op welke manier interventies met en in de technologie in de praktijk gebracht worden.
Radio Frequency Identifier (RFID)
RFID staat voor Radio Frequency Identifier en wordt gezien als de digitale opvolger van de streepjescode. Door middel van radiogolven kan informatie van ‘getagde’ producten of objecten worden gelezen door readers. Deze tags zijn voorzien van een uniek identificatienummer die het mogelijk maken een object te herkennen en ermee te communiceren. RFID bestaat op zich al sinds de Tweede Wereldoorlog, maar staat de laatste tijd erg in de belangstelling. RFID werd vroeger vooral gebruikt voor de transportindustrie, tegenwoordig is RFID alom vertegenwoordigd. Zo worden er RFID-tags in winkels gebruikt voor voorraadbeheer en als techniek om diefstal te voorkomen. Veel ingrijpender is het gebruik van RFID voor de identificatie van personen, zoals in de gevangenis in Lelystad, waar alle gevangenen zijn voorzien van een armband met een RFID-tag. Hiermee kunnen zij hun persoonlijke entertainmentsysteem bedienen, maar worden zij ook permanent gevolgd en gaat er een alarm af als iemand zich niet aan het afgesproken programma houdt. Een beroemd en extreem voorbeeld van het taggen van personen is de Baja Beachclub in Rotterdam, waar vaste klanten vrijwillig een aan hun creditcard gekoppelde chip in hun lichaam kunnen laten implanteren om betalingen te kunnen doen.
Maar niet alleen gevangenen of klanten van exclusieve discotheken hebben hiermee te maken. Sinds eind 2006 zijn namelijk alle nieuwe Nederlandse paspoorten voorzien van een RFID-chip, met digitale persoonsinformatie, waaronder een kleurenpasfoto, naam en andere persoonsgegevens. Vanaf 21 september dit jaar komen daar ook vingerafdrukken bij. Deze chips zijn met de juiste apparatuur op afstand af te lezen. Ook de OV-chipkaart en diverse creditcards zijn voorzien van dit soort chips. In de praktijk komt het er op neer dat steeds meer mensen, zonder dat ze het weten, ‘getagd’ zijn en mogelijk ‘gelezen’ worden.
In de toekomst zullen er steeds meer toepassingen komen van RFID, niet alleen als betalingsmiddel, identificatie of volgsysteem, maar ook om contact te maken tussen verschillende gebruiksvoorwerpen. Men spreekt dan ook wel van het ‘Internet der dingen’: ‘The Internet is undergoing a major evolution that will see more and more physical objects connected to it. As such, previously unconnected objects, such as books, clothes, food, will progressively be linked to the network.’ (European Commission, 2 juni 2009). Uiteindelijk zal iedereen hier mee te maken krijgen en RFID is de voorloper daarvan: ‘RFID marks the dawn of the Internet of Things.’ (Santucci 2009, 5).
Technologie en toezicht in Nederland
RFID moet een hoop processen effectiever en veiliger doen verlopen (RFID Platform Nederland). Ook wordt verwacht dat RFID een belangrijke rol zal gaan vervullen als het gaat om de datavergaring over personen (Rathenau 2007, 43). In de afgelopen jaren hebben de mogelijkheden van overheden en instanties om inzicht te krijgen in personen een enorme vlucht genomen. Iedere burger in Nederland is verplicht om ten alle tijden een identificatiebewijs op zak te hebben om die desgewenst aan de politie te kunnen tonen. Sinds 2001 is het gebruik van cameratoezicht in de openbare ruimte explosief gestegen. Binnenkort zijn aanbieders van telecommunicatie verplicht om het belgedrag van klanten voor een periode van minimaal een jaar te bewaren, en het e-mail-, internetverkeer voor een periode van een half jaar. Onze paspoorten, creditcards en - als het aan het CDA ligt - zelfs onze fietsen worden binnenkort van RFID-chips voorzien.
Met name in de opsporing zijn de mogelijkheden om burgers te onderzoeken verruimd in de laatste decennia. (noot 1) Ook andere organisaties dan de overheid doen aan dataverzameling, wat overigens niet betekent dat deze informatie alleen bedrijfsdoeleinden dient. Geprivatiseerde organisaties zijn van groeiende betekenis voor de opsporing omdat zij informatie kunnen verschaffen over uiteenlopende kenmerken van burgers. (Rathenau 2007, 69). Informatie die aanvankelijk wordt geregistreerd voor specifieke doeleinden (de kwaliteit van het reisverkeer, marketing, efficiëntie) maakt dus deel uit van bredere kennisnetwerken die ook de onderzoeksmogelijkheden van overheden ten goede komt.
Een van de effecten is dat ‘normale’ (onverdachte) personen steeds meer onderwerp worden van toezicht. De manier van onderzoek doen ontwikkelt zich steeds meer in de vorm van ‘pro-actieve’ verkenningen, aan de hand van gedragingen, familie, of vriendenkring. Ook worden burgers steeds transparanter voor overheden. Er bestaat een scala aan technieken voor het vastleggen van iemands gedragingen (zoals communicatie, financiële transacties, reisgegevens) welke vervolgens naast risicoprofielen worden gelegd (ibidem, 68). Het geheel aan maatregelen maakt dat meer burgers op een ingrijpendere manier in de gaten worden gehouden.
Surveillance society
Door toenemende controlemogelijkheden bij zowel overheden als private instanties wordt wel eens gezegd dat wij in een ‘surveillance society’ leven, een samenleving gekenmerkt door een doorlopend toezicht. De manier waarop toezicht plaatsvindt in de huidige technologische samenleving komt niet overeen met de standaarddefinitie: een directe observatie van een verdacht persoon (Marx 2000, 10). Hedendaags toezicht richt zich minder op verdachte personen, en meer op relevante contexten. Toezicht kan, in plaats van direct, op grote afstand plaatsvinden en bestaat niet zo zeer uit visuele observatie, maar uit een combinatie van verschillende waarneembare indrukken.
Volgens Gary Marx maken technische middelen het mogelijk om boven het direct waarneembare en vrijwillig kenbaar gemaakte uit te stijgen: het moderne surveillance kijkt niet naar wat een bepaald iemand op een specifiek moment laat zien, maar relateert contexten en patronen. Het baseert zich op data die op zichzelf niet interessant zijn maar samen genomen des te meer (ibidem, 12).
Surveillance vindt plaats binnen netwerken: naast de surveillant en de gesurveilleerde zijn er tal van actoren en elementen die meespelen, zoals commerciële ondernemingen, verschillende soorten overheden, NGO’s, en de technologieën zelf (Martin et al. 2009, 213). Sommige auteurs gebruiken daarom het begrip ‘surveillant assemblage’ om surveillancetechnieken van deze tijd te typeren (Haggerty & Ericson 2000; Martin et al. 2009). Die term (ontleend aan Deleuze) zou meer recht doen aan huidige vormen van surveillance, waarbij de objecten van controle vanuit hun locatie worden opgedeeld en geabstraheerd naar informatiestromen, verplaatst en herschikt voor analyse aan de hand van bestaande categorieën (Haggerty & Ericson 2007, 4). (noot 2)
Behalve informatievergaring heeft surveillance ook effecten. Lyon omschrijft surveillance als ‘any collection and processing of personal data, whether identifyible or not, for the purpose of influencing or managing those whose data have been garnered’ (Lyon 2001, aangehaald in Fernandez & Huey 2009, 199). De invloed waar hier naar gerefereerd wordt gaat niet om een instrumentele macht (zoals bijvoorbeeld het gebruiken van informatie om iemand te arresteren), maar om een subtieler effect: degenen onder surveillance worden ‘bewerkt’ door de aanwezigheid van toezicht.
Verzet
Wat doen burgers die steeds ‘ingrijpender’ in de gaten worden gehouden? Is er ruimte voor zoiets als ‘verzet’ in een surveillance society waarin technologie zo’n belangrijke rol speelt? Het verzetsthemanummer van Surveillance and Society stelt dat verzet in de huidige surveillance society moeilijk te conceptualiseren valt en dat er weinig voorbeelden concreet uitgewerkt zijn. De trend is om surveillance als een bedreiging en totaliserend systeem te zien. (Fernandez & Huey, 2009, 198). Bovendien blijft verzet vaak beperkt tot een individuele praktijk. Populaire beschrijvingen van surveillance spreken bijvoorbeeld over persoonlijke beschermingsmechanismen, maar negeren het idee dat er ook collectieve of georganiseerde vormen van verzet tegen surveillance zouden kunnen bestaan (Fernandez & Huey, 198).
Een scala aan voorbeelden van technieken van individueel ‘alledaags verzet’ is te vinden in Marx (2003). Hij noemt dit ‘neutralisatietechnieken’. Onder de elf categorieën die hij onderscheidt, valt bijvoorbeeld het uitstoten van valse informatie, controleurs die een oogje dichtknijpen en het filmen van controlerende instanties (‘de bal terugkaatsen’) (Marx 2003).
Ook bij activistisch ingestelde projecten bestaat de tendens om in het individuele te blijven hangen, stelt Monahan (2006). Dit laat hij zien aan de hand van een aantal vormen van (artistiek) activisme rondom het gebruik van Closed Circuit Television (CCTV). Hij stelt ter discussie of deze vormen van activisme te beschouwen zijn als politieke interventies. Hij maakt in zijn bespreking een onderscheid tussen ‘technische’ en ‘sociale’ interventies, wat verwijst naar het niveau waarop de interventies plaatsvinden. Voorbeelden van technische interventies zijn de ‘i-map’ van het Institute for Applied Autonomy, een kaart met ‘cameraroutes’ zodat je weet hoe je moet lopen en ®™arks ‘Guide to Closed Circuit Television destruction’, een handboek dat ingaat op het hoe en waarom van het stukmaken van camera’s. Voorbeelden van sociale interventies zijn Steven Manns ‘Shooting Back project’, waarbij mensen die meewerken met CCTV de camera op zichzelf gericht krijgen en de Surveillance Camera Players, een groep artiesten die performances doet voor bewakingscamera’s in publieke ruimtes en zo, door te interveniëren, bewakers en passanten confronteert met de routinematigheid van bewaking.
Volgens Monahan zijn deze vormen van ‘contrasurveillance’ met name gelokaliseerd op het niveau van de relatie tussen gesurveilleerde en surveillant. Activisten vragen daarmee aandacht voor hoe bewakingscamera’s deel zijn van ons dagelijkse leven, maar in mindere mate wordt het publiek zelf actief bij de projecten betrokken. Bovendien construeren de activisten de problematiek voornamelijk in geïndividualiseerde en geabstraheerde termen, en daarmee ook hun methodes van interveniëren. Daardoor slagen ze er ook niet in om de institutionele en beleidskanten van surveillance te raken, of de culturele assumpties waarop het systeem gedijt (Monahan 2006, 517). Ze ‘missen’ als het ware de kracht van sociale bewegingen (ibidem. 531). Sterker nog: volgens Monahan kunnen de projecten leiden tot een versterking van het surveillancesysteem: het systeem leert van de activisten over haar eigen zwakke plekken. (vgl. Haggerty 2007, 20).
De activisten slagen er dus niet in om een wijziging te bewerkstelligen van de termen op grond waarvan surveillance plaatsvindt. Monahan lijkt niet alleen te staan in zijn teleurstelling: ‘The victories of resistance are usually immediate and case-specific’ (Haggerty 2007, 20). Als er al zoiets als ‘verzet’ plaatsvindt dan is dat lokaal of ontwijkend: ‘Resistance is typically not motivated by a desire to eliminate or modify systems, but to evade their grasp’ (ibidem).
Maar wat verwachten we precies van ‘verzet’ in de huidige surveillance society? De huidige mechanismen van surveillance worden door de in dit artikel eerder genoemde auteurs omschreven als complexe systemen (Marx 2002), netwerken (Martin et al. 2009), en assemblage (Haggarty 2000). Volgens Martin et al. verbreedt het idee van surveillance als ‘assemblage’ ook het perspectief op verzet. De auteurs pleiten voor een multi-actor perspective, met oog voor (onderdelen) van autoriteiten die deel uitmaken van verzetstechnieken, mensen die in eerste instantie ongezien zijn, en soms de technologieën zelf.
Een perspectief met aandacht voor de gevarieerdheid aan actoren sluit aan bij de poging die men in het wetenschapsonderzoek (sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar wetenschap en technologie) onderneemt om tot een complexer technologiebegrip te komen. Daarbij wordt technologie binnen een breder netwerkperspectief beschouwd en sociale en technische factoren niet rigide onderscheiden (Rip 1995). Technologie is niet iets externs dat we instrumenteel kunnen inzetten (‘we kunnen het gebruiken voor...’) of iets dat ons domineert (we zitten dan in de slachtofferrol of zijn weigeraar). Technologie hangt samen met de sociale omgeving waarin het zich ontwikkelt en kent een zekere flexibiliteit. Technologie zou daarom beter opgevat kunnen worden als een ‘sociaal-technisch systeem’. (noot 3) De flexibiliteit binnen dat systeem is afhankelijk van hoe actoren zich onderling positioneren, iets wat een vorm van ‘politiek’ genoemd zou kunnen worden: (noot 4)
‘The main point about the assumption that politics are embedded in the design of sociotechnical systems is that a challenge to authority can also be directed at technology design in addition to or instead of being directed at technology policies or the lifestyles that govern patterns of use.’ (Hess 2009, 518).
Bij de bespreking van CCTV-activisme onderscheidt Monahan technische van sociale interventies. Ondanks dat hij wijst op verschillende studies over technologie waarin is aangetoond dat technische en sociale aspecten met elkaar verbonden zijn (Monahan 2006, 517), blijven de implicaties van die inzichten in zijn studie onuitgewerkt. Dit artikel neemt een andere insteek waarbij gepoogd wordt de technologie op een breder niveau te bekijken. Wat voor potentieel heeft RFID-technologie? Wat voor verbanden kunnen er met die technologie aangegaan worden? Een technische interventie brengt misschien geen sociale beweging tot stand, maar kan mogelijk wel invloed uitoefenen op hoe het netwerk waarbinnen kennis gegenereerd wordt zich ontvouwt.
Interventies met RFID
RFID gaat een belangrijke rol spelen in het ‘Internet der dingen’: het netwerk waardoor wij binnen enkele decennia in verbinding zullen staan met objecten, computers, internetcommunicatie, etc. De eerste reacties op het groeiend gebruik van RFID-chips en hun mogelijke impact op bijvoorbeeld privacy of controle, lijkt er een te zijn van persoonlijke beschermingsmechanismen: hoe voorkomen we dat we getagd worden? De discussie over RFID wordt bovendien gevoerd in legalistische termen: er moet wettelijk vast gelegd worden of we een opt-out of een opt-in beleid willen (NRC Next, 19 augustus 2009). Opt-out is als de chips standaard geactiveerd zijn, tenzij je aangeeft dat ze uitmoeten. Opt-in is als de chips zijn gedeactiveerd tenzij je aangeeft dat ze aanmoeten. (Vergelijk het met het Nederlandse donorbeleid dat werkt als een opt-in beleid: je geeft je lichaamsmateriaal na je dood niet weg, tenzij je aangeeft dat wel te willen.) Om aan het Internet der dingen te kunnen ontkomen denken ethici na over the right to silence, het recht om afgesloten te zijn van het Internet der dingen. Kunstenaars werken aan afsluitbare ruimtes. De Britse kunstenaar Stanza werkt bijvoorbeeld aan een freezone, een informatievrije zone zonder netwerk of computers, en de Duitse kunstenares Härtig maakt een non-space, een tent die elektromagnetische straling weert. (NRC Next, 19 augustus 2009).
Maar de termen waarin dit debat gevoerd wordt (we moeten wettelijk vastleggen dat er de keuze is om de technologie toe te laten of te weren) gaan uit van een instrumenteel technologiebegrip. Uit de praktijk blijkt dat er ook andere manieren en technieken bestaan om met RFID om te gaan. Kunstenaars hebben een belangrijke taak om die manieren bloot te leggen: zij exploreren nieuwe relaties die we met de technologie aan kunnen gaan. Hieronder volgen een aantal voorbeelden van kunstenaars en activisten die werken met RFID-technologie, niet alleen om zich te vrijwaren van de registrerende RFID-readers, maar ook om zich te mengen in de informatiestromen die er gegenereerd worden. Ook zal blijken dat RFID een creatief potentieel heeft voor (sociale) interactie.
Creatief met RFID
Doordat sinds 2006 ons paspoort is voorzien van een RFID-chip en we bovendien steeds meer pasjes met zo’n chip krijgen is binnenkort bijna iedere Nederlander getagd. En in principe is de persoonsinformatie op die kaarten op afstand leesbaar. Kunstenaars, activisten en andere critici reageren op verschillende manieren met RFID. Hieronder worden vier ‘technieken’ besproken: het onschadelijk maken van de chip of tags, het detecteren en mogelijk verbergen van tags, het kraken, manipuleren en bewerken van tags, en het creëren met RFID.
Zapping
‘We have to expect to be surrounded by RFID-Tags almost everywhere within the near future, and they will serve many different purposes. The benefits and risks of this technology and it's use are already being discussed. However, there will be attempts to use RFID-Tags to establish constant surveillance and to further threaten and compromise the privacy of customers (and citizens and even non-citizens, when governments start to use RFID-Tags like the German government already did).’ (22C3 2009)
Een mogelijke reactie op RFID als surveillancetechnologie is het onschadelijk maken ervan. Dat gebeurt op twee niveaus. Net zoals bijvoorbeeld een camera, is een RFID-chip te vernielen. Op de videowebsite YouTube zijn tientallen filmpjes te vinden over het kapotmaken van RFID chips. Activisten, knutselaars en hackers laten zien hoe je chips uit bankpasjes kan demonteren (Federaljackdotcom 2008): zo blijkt een stevige mep met een hamer redelijk effectief en ook met een paar seconden in de magnetron is een RFID-tag kapot (Imfriggincrazy 2008).